
Astrid Kerkhoven
De mantel der valse liefde
Op zondag 22 maart werd mijn vader 98 jaar. We vierden zijn verjaardag in de huiskamer van zijn geriefelijke appartement. Taartje erbij en het “lang zal hij leven!” klonk uit volle borst. Het gebakje at hij half op. Maar het cadeau, een scharlakenrood kabelvest, beviel hem goed. Tevreden riep hij: ”Ik wil 100 worden!”
Mijn vader is zeer helder van geest en z'n ingewanden zijn vet sterk. Wel laten de zintuigen het steeds meer afweten. Ook staat hij wankel op zijn benen en is hij sinds een paar maanden incontinent. Hij woont zelfstandig - tegenover Artis.
Elke dinsdag gaan mijn zus en ik naar mijn hem toe. Vooraf lunchen we en praten we bij. We noemen dat "de mantellunch" en betalen met de rekening van mijn vader (dat weet hij en vindt hij prima). Om de week nemen we een fles Blankenheim en een fles Joseph Guy mee, zijn enige medicijnen.
Vervolgens gaan we aan de slag: bed verschonen, koelkast opruimen, nagels knippen, post verzorgen, vuilniszak verwisselen, was in de machine en uit de droger, wc schoonmaken, boodschappen regelen. Vaak komen we extra tussen de dinsdagen door om de administratie doen, de tv te repareren, een nieuwe IPad te kopen, de belasting aan te geven, incontinentiemateriaal te bestellen, de afwasmachine te ontvetten, en wat dies meer zij. Ook moeten er voelbare plakkertjes op de inductieplaat worden aangebracht omdat hij de rode lampjes niet kan zien (ik ook niet trouwens). En dat alles binnen in een temperatuur van 24,5 graden. Dat moet van mijn vader anders krijgt hij het koud. Ik krijg er hoofdpijn van.
Tussendoor halen we herinneringen op: aan de kampeervakantie toen we de tent uitregenden, stokbrood bakken bij het kampvuur, Bengaals vuurwerk afsteken met Oud & Nieuw, vers brood van de warme bakker op zaterdag. En zo mantelt de dag voorbij.
Als het werk gedaan is fiets ik moe terug naar huis. Onderweg voel ik me opeens ongelukkig en verward. Op de een of andere manier klopt er iets niet. Eenmaal thuis neem ik een douche en laaf me aan het warme water. Met de ontspanning komen er ook tranen.
Tijdens het afdrogen probeer ik greep te krijgen op mijn gevoelens. Ik realiseer me dat ik de laatste vijftien jaar ben getransformeerd van dochter naar "mantelzorger". Dochter zijn ken ik goed, daar heb ik mijn hele leven ervaring mee. Maar "mantelzorger" voelt vervreemdend, dat gaat niet over mij. Ik blijk een mantel te dragen die ik niet zelf heb uitgekozen en waarmee ik word geacht om een hoop werk te verzetten waar ik niet geschikt voor ben. Werk waar niet voor wordt betaald omdat het "uit liefde voor een dierbare" wordt gedaan.
En dan weet ik waar mijn verwarring vandaan komt. Als dochter houd ik van mijn vader. Ik wil hartgrondig dat hij het zo goed mogelijk heeft en kan genieten van de jaren die hem nog resten. Maar als "mantelzorger" heb ik een hekel aan hem. Hij kost me tijd, energie, kopzorgen en beneemt me mijn vrijheid. En dat voelt verdrietig. En zo maakt deze mantel meer kapot dan me lief is.