Dit had ik niet zo gepland..

Dit kan ons toch niet overkomen?

Meerdere malen schoot het door mijn hoofd; tijdens die helse dagen na 20-weken echo.

Dat moment waarop de verloskundige stil viel en het hoofdje van ons tweede kindje in mijn buik nog een keer mat. En nog een keer. En toen duidelijk onomwonden:

‘De hoofdomtrek is te klein. En de kleine hersenen ook. Ik ga jullie doorsturen naar het MMC.’

Pardon? Huh? Het zal toch wel meevallen? Ik ging over op mijn babbel-stand. Praten, een sarcastisch grapje maken. Vragen stellen, non stop. Mijn hart ging als een razende tekeer. Ik verwachtte hoop, een grapje terug, een geruststelling. Maar de stilte bleef hangen. De ruimte voelde zwaar en donker.

Het viel niet mee. Ze was heel serieus. Als verdoofd liep ik terug naar de auto, waar Sander via FaceTime de echo had gevolgd. Corona he. We keken elkaar aan.

‘Dit is niet goed.’

We durfden niet naar huis te gaan, waar Raf op ons zou wachten. Enthousiast en sprankelend. Een te groot contrast met ons gevoel. We moesten dit ‘even’ verwerken.

De dagen tot de volgende echo kropen voorbij en we belandden tussen hoop en vrees. Alles werd aan het wankelen gebracht. En steeds weer dook die gedachte op: ‘Dit gaat ons toch niet gebeuren?’

Dat weekend liepen we over de woonboulevard en mijn wereld was toen al aan het veranderen. Ik keek jaloers naar zwangere vrouwen of stelletjes met een kinderwagen. Zij wel, wij niet? Leek het maar zo, of was de wereld echt een tintje grijzer geworden?

Dit kán niet waar zijn. Wij, al eeuwen bij elkaar. Wij hebben alles voor elkaar. Wij hebben altijd geluk. Mijn moeder zei toch niet voor niks dat ik voor het geluk geboren ben?!

Een zondagskind. Ik was er zelf in gaan geloven.

Het kón niet gebeuren dat wij een kindje af zouden moeten gaan geven. Of een gehandicapt kindje krijgen? Dat plaatje paste niet in mijn hoofd.

Sander zei: ‘Misschien is ons geluk op?’

Hij durfde wel toe te geven aan zijn voorgevoel, zijn angst. Maar ik wuifde het weg onder een bijna manisch optimisme, want: zo ben ik - dacht ik. Sterk.

We googelden ons suf die dagen, hopende dat we ergens een positief verhaal zouden lezen, waarbij het ‘wel mee viel’. Iets waar we ons aan vast konden klampen, een sprankje hoop.

Maar de berichten waren niet mals. Microcefalie. Ernstige beperkingen. Syndromen. Niet levensvatbaar.

En toch…

Toch bleef ik denken: ‘Dit gebeurt ons niet’. En dan weer: ‘Wij kunnen dit’. Ik vloog alle kanten op. Mijn onderbuikgevoelens stopte ik heel ver weg..

Al die jaren tot dat moment dacht ik dat ik de controle had. Ik dacht dat sterk zijn betekende dat je alles aan kon. Niet huilen, altijd doorgaan. Ik dacht dat mijn leven precies ging ‘zoals het hoorde’. Huisje, boompje, kindje. Het perfecte plaatje. Ik dacht dat ik wist wie ik was en wat ik wilde.

En toen kwam Fenn. En niets ging meer ‘zoals het hoorde’. Wat er die weken gebeurde, veranderde niet alleen ons gezin. Het veranderde wie ik dacht dat ik was.

In deel 2 vertel ik over de uitslag die alles op zijn kop zette en de rollercoaster die daar op volgde.