
Willeke
In de ruime gemeenschapskamer gaan Cor en ik in een comfortabele stoel voor het raam zitten. We komen wat bij van de drukke paasdagen. Cor is zichtbaar moe van alle indrukken, heeft weinig zin in een wandeling, een gesprek of een andere activiteit. Zijn oogleden vallen alsmaar dicht.
De rust wordt echter snel verstoord door een mannelijke bewoner. De bewoner is binnen komen lopen en leeft zich uit op het verplaatsen van de stoelen. Er staan wel 30 onbezette stoelen. Schuivend plaatst hij de stoelen op een rijtje. De rijtjes verandert hij onophoudelijk. Hij spreekt geen woord.
‘Wie kan mij naar huis brengen?’
Dan loopt er een vrouw in de kamer in. Ze kijkt om zich heen en stelt hardop vragen: ‘Wie kan mij naar huis brengen. Waar moet ik naar toe?’ De vrouw loopt naar de tafel, waaraan 3 mensen zitten. Ze kijkt de mensen wanhopig aan, herhaalt haar vragen steeds. Als een medebewoonster reageert en aardig zegt: ‘Ik loop wel met je mee’, reageert de opgewonden mevrouw daar niet op. Ze blijft vragen. Naar een echt antwoord is ze niet op zoek.Zachtjes mopperen
Cor zit in zijn stoel zachtjes te mopperen en kijkt naar de man die de stoelen verplaatst. ‘Wat een dwaas. Een onzin.’ Ook het gedrag van de zoekende vrouw, roept bij Cor irritaties op. Hij moppert luider. Weglopen of zijn stoel omkeren doet hij echter niet. Hij blijft met zijn ogen het gebeuren gadeslaan.‘Laten we hier weggaan en ergens anders gaan zitten,’ zeg ik. Cor reageert daar niet op. ‘Ga je mee, dan gaan we weg.’ Cor heeft tijd nodig om in beweging te komen. Uiteindelijk staat Cor op. We lopen naar een andere kamer, waar het rustig is. Cor slaakt diep een zucht. Dan gaat hij op een stoel zitten en zakt weg in zijn verre wereld.