Tweedekerst

Vogeltjes op de tv. YouTube vogelfilmpjes voor katten. Ook fijn voor demente mensen. Uren aan een stuk een voederplek van een paar vierkante meter, vogeltjes vliegen af en aan. Zaadjes pikken en weer weg. Kalmerend, bijna hypnotiserend. Knus en klein. Rust en overzicht in de hectiek van kerstborrels, kerstbrunch, kerstpakketten, kortom kerst voor gewone mensen. Maar wij zijn niet gewoon. Wij zijn dement, hij de ziekte, ik de zorg.

Rouw met droge tranen

Hij zit naast me en zucht in zijn slaap. Ik rouw met droge tranen, om hem. Is dit de laatste gewone kerst? Zal volgend jaar anders zijn? Misschien zonder hem, hier thuis? De afbraak gaat sneller, staat in een hogere versnelling, het tempo neemt toe. Het kost steeds meer moeite om iets duidelijk te maken, een vraag te stellen, een opdracht te geven.

Onbegrip in zijn ogen. Zijn antwoord steeds vaker: ‘ik snap er niets van.’ Als vanzelf ga ik steeds harder praten wanneer hij niet reageert. Ik denk: ‘hij hoort het niet’, maar het is: ‘hij begrijpt het niet.’ Keelpijn.

Herhalen: ‘doe je schoenen aan, je schoenen, schoenen!’, ‘doe je jas aan, jas aan, jas!’ Onbegrip.

Om mijn opdrachten zo simpel mogelijk te houden gebruik ik steeds minder woorden. Tikje op zijn tanden: ‘doe je gebit uit’, nog een tikje: ‘je tanden’, wijzend: ‘in het bakje’. ‘Neem je pillen in’, wijzend: ‘pillen innemen, je pillen, pillen!’

Soms moet ik even zeuren

Als een sergeant majoor dirigeer en commandeer ik zijn leven, zijn dag, zijn nacht. Hartverscheurend. Geduldverscheurend ook.

Soms is het dode paard te zwaar, soms lukt het gewoon even niet meer.

Soms moet ik even zeuren, de taak van de zonen, de zeurende moeder aanhoren. Ook een vorm van mantelzorg. Een belangrijke. Even afkoelen, hart luchten, begrip krijgen. Fijn dat er zonen zijn.

Soms moet ik even kreunen, zuchten, steunen, klagen en schelden, in de douche of in de gang en dan weer verder. Vrolijk en vriendelijk. Want hij heeft geen idee. Hij is het slachtoffer van deze ziekte. Ik niet. Hoewel?

Droefheid

Het eerste gesprek over een tehuis met de casemanager is gevoerd. Oriënterend. Met een hoofdletter O. Ik ben nog lang niet zover, het knijpt mijn keel dicht.

Droefheid hangt over de tweede kerstdag. Hij duttend in de stoel, geborgen, veilig vertrouwd, onbewust van de toekomst. En ik rouw. Om ons, om hem, om de vergankelijkheid van ons leven samen.

Rustig en blij

Maar ik raap mezelf bijeen, te vroeg om te rouwen, we leven nu en later zien wel dan wel weer, dus jassen aan, naar buiten, een toertje met de auto.

Lage bewolking, miezerige regen, maar wij zijn op pad. Stijf bevroren wacht de Magnum op hem in de vriezer van het tankstation. Koffie voor mij, ramen beslaan, knus en kneuterig in ons kleine bubbeltje.

Vanaf de parkeerplaats bekijken we de wereld. De bomen op het middenveld van het verkeersplein. Een verdwaalde mug op de voorruit een ekster op de lantaarnpaal, een kraai fladdert over ons heen: ‘zag je hoe groot die was?’ Opnieuw maken vogels ons rustig en blij. Zo is het simpel, zo is het goed.